Fokker-orgel (1950)

foto van het Fokker-orgel

Geschiedenis

Na 1945 hervatte Fokker het componeren en andere muzikale activiteiten. Hij concentreerde zich meer en meer op de theorie van stemmingen, in het bijzonder in relatie tot reine stemming en de 31-toonsstemming. Hij maakte een begin met een groter project op het gebied van instrumentenbouw, namelijk een orgel met de volledige omvang van 31 tonen per octaaf. Hij regelde voldoende financiële steun voor de bouw, en het orgel - zijn eigen ontwerp - werd geïnstalleerd in Teylers Museum in 1950. Het wordt nu gewoonlijk het "Fokker-orgel" genoemd. Het heeft een hoofdklaviatuur met twee 31-toonsmanualen en een pedaal, en een hulpklaviatuur met 12-toonsmanualen waarop een gedeelte van de 31-toonstoonschaal gespeeld kan worden. De eerste organist was Paul Christiaan van Westering. Het eerste concert op het nieuwe orgel werd gegeven op 10 september 1951, met composities van Jan Pieterszoon Sweelinck, Paul Christiaan van Westering en Jan van Dijk. Concerten op het orgel vonden in de periode 1951-1955 regelmatig plaats, met uitvoeringen van nieuw geschreven 31-toonsmuziek op de hoofdklaviatuur en oude muziek op de hulpklaviatuur in de middentoonstemming. Sindsdien werden concerten gegeven op elke eerste zondag van de maand, met uitzondering van januari.
De dispositie van het orgel is
Manuaal I C-g''' (143 tonen, 319 toetsen): Quintadeen 8', Prestant 4';
Manuaal II C-g''' (143 tonen, 319 toetsen): Salicionaal 8', Roerfluit 4';
Pedaal C-f (45 tonen en toetsen): Subbas 16', Gedekt 8' (transm.)
Koppelingen: (P + I); (P + II); (I + II). Toonhoogte: a' = 440 Hz.
De dispositie op de hulpklaviatuur met normaal 12-toonsmanuaal is hetzelfde, behalve in het pedaal. Omdat het een octaaf meer omvat, is Gedekt 8' achterwege gelaten. Het 12-toonsmanuaal is op een speciale manier verbonden met het orgel. Door middel van negen druktoetsen kan een van negen voorselecties van 12 tonen uit de 31 tonen per octaaf met het toetsenbord verbonden worden. Acht daarvan zijn vast voorgeselecteerd en voor de laatste kunnen tonen naar believen door middel van schakelaars gekozen worden. De vaste selecties zijn de Euler-Fokker genera met kwinten, grote tertsen en harmonische septiemen die toonschalen vormen van 12 tonen per octaaf: [3³.5²], [3².5³], [5³.7²], [3³.7²], [5².7³], [3².5.7], [3.5².7], [3.5.7²]. In de programmeerbare selectie kan de middentoonstemming met E en G gekozen worden. Dit voorziet in de tonen gebruikt door de 17e- en 18e-eeuwse componisten en laat daardoor de oude schoonheid van hun composities herleven. Zoals Fokker zei: "dit is de klaviatuur die terugblikt op het klassieke verleden." De andere klaviatuur met de 31-toonsmanualen is "de klaviatuur die in de toekomst kijkt."
Het orgel is in 2000 uit het museum weggehaald en is nu tijdelijk opgeslagen totdat het in 2009 in de BAM Zaal van het Muziekgebouw aan 't IJ opnieuw gaat worden opgebouwd.

Voor geluidsvoorbeelden van het Fokker-orgel: ga naar de CD-pagina.

 

Toetsenbord

kleurenfoto van het Fokker-orgel

Schematische weergave van het toetsenbord-ontwerp van het Fokker-orgel:

A.D. Fokker: Over de bouw van het 31-toonsorgel

Men moest vooreerst geheel nieuwe klaviaturen ontwerpen. Men vindt hierop de hele toonsafstanden recht naast elkaar, van links naar rechts, de grote halve tonen in de diagonale richting rechts naar boven en de kleine halve tonen in de diagonale richting rechts naar beneden. De witte toetsen van de piano zijn hier ook wit. Voor elke zwarte toets van de piano vindt men twee zwarte toetsen, en de overige toetsen, tussen wit en zwart, zijn blauw. Boven en beneden elke witte is er een blauwe toets (zie fig. 1). Twee dingen vergemakkelijken het spel: de vingervaardigheid in één toonsoort behoeft hier niet (zoals op het gewone klavier) in een andere toonsoort door een andere vingervaardigheid te worden vervangen, en voor elke noot zijn er twee toetsen beschikbaar, voor sommige zelfs drie. De toetsen (319 op elk klavier) draaien niet om een stift in het midden of aan het eind. Ze bestaan uit kunstharsblokjes van 11 × 38 × 15 mm, die verticaal omlaag gedrukt worden. Onder aan de toetsstang, die voor de geleiding zorgt, bevindt zich het contact (zie fig. 2).
Voor een goede bespeelbaarheid was het nodig dat de toetsen een diepgang van slechts 5 mm kregen, anders werd het verschil met de er achter liggende toetsen, die telkens 6 mm hoger liggen, te groot.
Deze kleine diepgang en de ermee samenhangende zeer korte zg. "dode gang" van de toetsen eisten zeer nauwkeurig werk. Door het gebruik van zeer goede en krimpvrije materialen is dit mogelijk gebleken.
Het bovenste manuaal sluit direct aan aan het onderste. Bovendien is het hellend opgesteld. De afstand tot de achterste rij toetsen van het bovenste manuaal is zodoende zo klein gehouden als mogelijk is met de 22 rijen toetsen die samen de twee klavieren vormen. Het pedaal heeft 45 toetsen (bijna 1 1/2 octaaf). Deze toetsen bestaan uit drie soorten hout, die de drie kleuren van de toetsen doen uitkomen. De hoogte van de toetsen is zo gekozen, dat het pedaalklavier in zijn geheel gezien een cylindervorm heeft. Omdat een groot deel van de toetsen steeds aan de achterkant bespeeld wordt, draaien ze aan de voorkant, in tegenstelling met de normale uitvoering.
De windladen zijn van het kegellade-systeem. Ze zijn in drie delen gesplitst. Dit was nodig omdat door het grote aantal pijpen de lengte van de windladen abnormaal groot moest zijn. Het aantal pijpen is 648. Bij een gewoon orgel met dezelfde registers zouden het er 266 geweest zijn.
Het uitrekenen van de maten van de pijpen was vanzelfsprekend een tijdrovend werk omdat een geheel nieuwe maatverdeling moest gemaakt worden.
Doordat bij het stemmen volgens een kwintencirkel nu 31 stappen gemaakt moeten worden i.p.v. 12 zijn de kansen op fouten ook veel groter. Bij een stemproef bleek dat de pijpen elkaar te sterk beïnvloedden om een goede stemming op het gehoor mogelijk te maken. De pijpen worden nu gestemd met behulp van een toongenerator en een kathodestraaloscillograaf. Hierbij wordt zo te werk gegaan dat er steeds slechts één pijp tegelijk klinkt: de onderhavige beïnvloeding is dan geëlimineerd. De juiste toonhoogte wordt dan "op het gezicht" op het scherm van de oscillograaf bepaald. Bij het werken volgens deze methode wordt gestemd volgens een tertsencirkel i.p.v. een kwintencirkel, want de zwevingen van de tertsencirkel zijn veel langzamer. Er kan dan veel nauwkeuriger gewerkt worden.
Om ook organisten die niet thuis zijn op de grote speeltafel in de gelegenheid te stellen het orgel te bespelen, is er een tweede speeltafel gemaakt met normale klavieren. Deze speeltafel is op een speciale manier met het orgel verbonden. Met behulp van een negental drukknoppen kunnen negen soorten uittreksels of toongeslachten, die telkens 12 van de 31 tonen per octaaf bevatten, aan de hulpspeeltafel aangesloten worden. Acht van deze geslachten zijn vastgelegd. Het negende kan naar willekeur worden uitgezocht met behulp van schakelaartjes. De kast waarin deze electrische installatie is ondergebracht, staat in de orgelkamer (zie fig. 4).
Beide speeltafels staan in het bovenportaal van het museum. Ze zijn met kabels (in het totaal met 533 draadjes) aan het orgel en de schakelkast verbonden.

Dispositie van het orgel:
Manuaal I C-g''' (143 tonen): Quintadena 8', Prestant 4';
Manuaal II C-g''' (143 tonen): Salicionaal 8', Roerfluit 4'
Pedaal C-f (45 tonen): Subbas 16', Gedekt 8' (transm.)
Koppelingen: (P + I); (P + II); (I + II). Toonhoogte: a' = 440 Hz.

De dispositie op de hulpspeeltafel is dezelfde behalve in het Pedaal. Hier is Gedekt 8' vervallen, omdat deze speeltafel een octaaf méér in het pedaal heeft: nl. C-f.
Omdat de houdbaarheid van de stemming het belangrijkste was, komt er geen tweevoetsregister in het orgel voor.


Literatuur

Foto's van na de renovatie